De reewildpopulatie in Nederland groeit gestaag, terwijl het afschot van vrouwelijke dieren en kalveren stelselmatig lager uitvalt dan de toegewezen aantallen. Dat is een combinatie die beheerders zorgen baart: een groeiende stand vraagt om bijsturing, maar juist het deel van het afschot dat de populatiegroei het meest direct beinvloedt blijft achter. Tegelijkertijd worstelen veel jagers met een vraag die eenvoudiger klinkt dan zij is: hoe oud is het dier dat ik voor me heb, en past dit afschot bij de leeftijdsklasseopbouw die ik nastreef in mijn jachtveld?
Evenwichtige leeftijdsopbouw als beheersdoel, niet de precieze leeftijd van het individuele dier
In de jachtpraktijk wordt veel aandacht besteed aan het schatten van de leeftijd van individuele reeën, maar die precieze leeftijdsbepaling is voor populatiebeheer minder relevant dan vaak wordt gedacht. Wat telt is de leeftijdsklasseopbouw als geheel: een gezonde populatie heeft een piramide van kalveren, jonge dieren, volwassen dieren en oude dieren. Wie te veel afschot concentreert in de jaarling- en jongedierklasse, haalt structureel te weinig dieren door naar de volwassen en oude leeftijd. Het gevolg is een populatie zonder echte oude bokken en een verstoorde opbouw die moeilijk te herstellen is.
Jonge bokken zijn het makkelijkst te schieten, wat een structureel probleem oplevert
Jonge bokken van een tot drie jaar zijn het actiefst en het zichtbaarst, waardoor ze in de praktijk oververtegenwoordigd zijn in het afschot. Oude bokken zijn schuw en houden zich gedeisd als de jager aanwezig is. Het resultaat is dat trofeeënshows bij wildbeheereenheden nauwelijks bokken van vijf jaar of ouder laten zien, terwijl een bok pas echt oud is vanaf acht jaar. Veel jagers denken een oude bok te hebben geschoten terwijl het dier bij nadere analyse amper vijf of zes jaar oud blijkt te zijn. Voor een evenwichtige beheersstrategie betekent dit dat bewust ruimte moet worden gelaten voor bokken om door te groeien, ook als ze op jonge leeftijd makkelijk te benaderen zijn.
Discussie over afschotperiodes leidt af van de kern van goed populatiebeheer
In de beheerspraktijk wordt veel energie gestoken in discussies over de optimale afschotperiode voor geiten en kalveren. Nederland hanteert traditioneel een periode van januari tot half maart, terwijl Duitsland en Oostenrijk al vanaf september beginnen met het afschot van vrouwelijke dieren. Wetenschappers en praktijkdeskundigen zijn het er niet over eens welke aanpak het beste werkt voor de populatieontwikkeling. Die discussie is op zichzelf minder zinvol dan de vraag die elke jager in zijn eigen jachtveld moet beantwoorden: wat loopt er, hoeveel, in welke leeftijdsverdeling, en welk afschot past bij het herstellen of handhaven van een evenwichtige opbouw. Dat antwoord is alleen te geven op basis van langdurig tellen, observeren en kennis van het eigen terrein.
Achtergrondstuk gebaseerd op vakinhoudelijke bronnen over reewildbeheer in Nederland.