De bladjacht, waarbij de jager een bronstige geit imiteert met een fiepinstrument om een reebok te lokken, geldt als een van de meest fascinerende en onvoorspelbare jachtvormen op reeewild. Succes is nooit gegarandeerd, hoe zorgvuldig de voorbereiding ook is. Drie factoren bepalen de uitkomst: de keuze van de juiste plek, het juiste moment en de manier van fiepen. De eerste factor is veruit het zwaarst: een verkeerd gekozen fiepplek maakt de beste fiepcapaciteiten waardeloos.
De plek bepaalt meer dan de helft van het succes
Wie op de verkeerde plek fiept, kan er zeker van zijn dat er geen bok opdaagt hoe fraai het geluid ook klinkt. Een fiepplek moet aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. De plek moet voedselrijk zijn en dekking bieden in de omgeving, bronstactiviteit moet er realistisch te verwachten zijn en de windrichting moet kloppen. Een bok die wind krijgt van de jager haakt direct af, hoe sterk zijn drang naar de vermeende geit ook is. Windkaarten per locatie per weersomstandigheid zijn daarvoor een beproefd hulpmiddel, al vraagt het samenstellen ervan een jaar of twee systematische observatie.
Fiepen vanuit het donker richting het licht werkt, omgekeerd niet. Een bok die vanuit het open veld wordt gelokt voelt zich veiliger als hij de begroeiing ingaat dan als hij er juist uitgetrokken wordt. De vuistregel is dan ook om een positie te kiezen op zo’n dertig tot veertig meter binnen de bosrand als de bok vermoedelijk in het veld staat. Droge bladeren op de bosbodem zijn bij grondfiepen goud waard: ze verraden het naderen van wild dat van achteren opduikt, iets waar de jager die alleen staat zelf niet op kan letten.

Geslachtsverhouding en leeftijdsopbouw bepalen of de bladjacht kans van slagen heeft
De bladjacht staat of valt bij een evenwichtige verhouding tussen geiten en bokken in het revier. In veel revieren is die verhouding historisch scheefgegroeid doordat jagers van oudsher liever op de bok jagen dan op het vrouwelijk wild. Bij een verhouding van vier of vijf geiten per bok heeft een bok nauwelijks aanleiding om te zoeken: zodra hij klaar is met de ene geit staat de volgende al te wachten. Hij trekt zich weinig aan van een fiep. Pas bij een verhouding die richting een op een gaat, begint de bok daadwerkelijk te zoeken en reageert hij op geluidslocken.
Ook de leeftijdsopbouw speelt een rol. Bij een te brede basis van jonge bokken zijn het vrijwel altijd de jaarlingen die op de fiep afkomen, terwijl oudere en selecteerbare bokken zich niet laten verleiden. Selectief jagen op jaarlingen in het voorjaar is daarvoor de aangewezen remedie: in de bronsttijd komen jonge bokken dan minder snel springen uit angst voor afstraffing door oudere rivalen.
Grond boven hoogzit bij fiepen in gevarieerd terrein
De vraag of men beter vanaf de grond of vanaf een hoogzit kan fiepen, wordt door ervaren bladjagers overwegend beantwoord in het voordeel van de grond. Een hoogzit staat doorgaans op een plek die is gekozen voor de aanzitjacht op afstand, niet voor het lokken van nabij. De schiethoek is steil naar beneden, wat bij een snel opduikende bok lastig te beoordelen schoten oplevert. Een gesloten kansel vervormt het geluid en beperkt de bewegingsvrijheid die nodig is om de fiep in verschillende richtingen te laten klinken, want een geit beweegt zich tijdens de bronstachtervolging en roept niet vanuit een vaste positie.
Op de grond kiest de jager zijn positie tot op de meter nauwkeurig, kan hij zijn rug tegen die van een eventuele begeleider plaatsen om alle richtingen in het oog te houden en is hij dichter bij het wild in de meest directe zin van het woord. In heuvelachtig of bergachtig terrein kan een lage, open drukjachtplatform een goed alternatief zijn: vlakkere schiethoek, rondom vrij zicht en de mogelijkheid het terrein voor de schietbeurt goed te prepareren.

Fiepen in het dagverblijf van de bok is specialistenwerk
De meest intensieve en risicovolle variant van de bladjacht is het fiepen direct in of nabij het dagverblijf van de bok, ook wel huisvredebreuk genoemd. Krab- en veegplaatsen verraden de grenzen van zijn territorium, maar het dagverblijf zelf moet de jager uit eigen revierkennis kennen. Wie de bok in zijn eigen heilige plek uitdaagt, provoceert een snelle en directe reactie, maar moet dan ook in staat zijn razendsnel aan te spreken en te schieten, bij voorkeur met open vizier en het wapen al halfgeschoulderd.
Dekking is bij deze methode absoluut noodzakelijk en volledige camouflagekleding inclusief handen en gezicht is geen overbodige luxe. Bij de geringste twijfel over de juistheid of veiligheid van het schot blijft de vinger gestrekt. Niet de snelste of meest schietlustige jager haalt hier succes, maar de bezonnen en ervaren jager die weet wanneer hij niet schiet.
Revierrust als voorwaarde voor een geslaagde bladjacht
Een onderbelicht aspect van de bladjacht is de rol van revierrust gedurende het jaar. Reeewild dat het hele seizoen onder jachtdruk staat trekt zich terug in dichte dekking en verlaat die nauwelijks nog. De kwaliteit van het bestand verslechtert doordat de dieren niet meer bij de voedselrijke kruiden en grassen op open plekken kunnen komen. Een beproefd systeem is het jaarlingafschot in een periode van tien tot veertien dagen aan het begin van het seizoen, waarna het revier rust krijgt tot aan de bladtijd. In die rust normaliseert het gedrag van het wild, treedt het meer open en reageert het beter op de fiep. Wie die rust bewust inbouwt en combineert met een evenwichtige geslachtsverhouding, legt de beste basis voor een geslaagde bladjacht.
Bron: Vakinhoudelijk hoofdstuk over bladjacht en fiepen, auteur onvermeld.
